In de rubriek “Mijn eerste motor” vertellen motorrijders hun eigen verhaal over hun ervaringen met de eerste motor en alle motorervaringen in de jaren daarna . Deze week is Gerard van Stokkum aan het woord. Hij vertelt over zijn radicale jaren ’60 waarin je als motorrijder veroordeelt was tot de onderste regionen van de sociale ladder.
Mijn motorfietsinteresse is ontstaan in een tijd dat dit vervoermiddel op een matige belangstelling kon rekenen, in de jaren zestig. Toen wilde de burgerman niet op een motor gezien worden. Hoorde je erbij, dan had je een auto.
De welvaart dicteerde dat. Motorrijden sprak niet meer aan, de Engelse motorindustrie had het zwaar, roemruchte merken sloten één voor één, en de Japanse markt moest nog tot bloei komen. Ik herinner me de verschijning van een Honda 450cc met dubbele bovenliggende nokkenassen die met ongekende snelheden en dito toeren door ons dorp scheurde (was het niet de Black Bomber?). Die werd met woeste vetkuif bereden door de plaatselijke bromfietshandelaar. Verder had je in die tijd de oerdegelijke BMW R50 en nog een enkele verdwaalde Triumph of Norton.
Tweedehandsjes kon je voor een prikkie krijgen. Het gerucht ging dat er in de haven van Antwerpen Harley’s Liberator, nieuw in het krat , à f 900,- konden worden verkregen. Restanten van de Amerikaanse oorlogsinspanningen. Eind jaren zestig ben ik nog eens naar Haarlem getogen om zo’n 750 cc zijklepper zonder achtervering te bekijken. De verkoper kreeg hem echter niet aan de praat en de koop ging niet door. Ik vond het trouwens maar een lomp ding.
Zonder rijbewijs, zonder verzekering en jonger dan 18 jaar verwierf ik eerst een donkerrode Jawa en daarna een zwarte DKW, beide rokende tweetakten van bescheiden afmetingen en met een aanschafprijs van onder de honderd gulden. Je reed er mee op weggetjes achteraf, in je korte broek en zonder helm. Een helm was trouwens toen nog niet verplicht, moest je zelf weten of je je kop wilde beschadigen.
Eenmaal uit huis en meerderjarig geworden was mijn eerste ‘echte’ motorfiets een BSA C11, 250cc en met een cilinder en twee echte kleppen. Snel een oefenvergunning met bijbehorend oefengebied aangevraagd en het genieten kon beginnen. Iedere motorrijder zwaaide en ik het hardst! Onderhoud had zo’n Engelse plof nauwelijks nodig. Zolang er olie uitdrupte was het goed.
Vanwege de magische klank van de naam – in de jaren vijftig wonnen ze alles met hun Manx racer – was ik spoedig daarna verliefd op Norton en van een Amerikaanse expat werd een Norton Dominator uit 1953 overgenomen, met twee cilinders en vier kleppen en het befaamde featherbed frame dat ook in de racerij werd gebruikt en een uitstekende wegligging garandeerde. Op die fiets haalde ik het rijbewijs, voor de zekerheid nog één rijles genomen! De instructeur bezwoer mij om bij het wisselen van rijbaan eerst over de schouder te kijken, dat was het enige waar de examinator op zou letten.
Helaas kwam deze motorfiets bijna om het leven toen een plaatselijke veehouder vergeten was om de draden weg te halen die hij voor het oversteken van zijn koeien over de weg had gespannen. Een gruwelijke schuiver was het gevolg en het mooie was er helemaal af. Een ander gebrek was de versleten magneetontsteking van het beruchte merk Lucas bijgenaamd Prince of Darkness. Deze produceerde na het warmlopen nog maar een heel zwak vonkje. Iets met de wikkelingen. Sloeg ie dan af dan kon je wachten tot ie helemaal afgekoeld was! Een nieuwe kostte honderden ponden èn je moest ervoor naar Londen.
Dan maar een andere Dominator aangeschaft, iets jonger en aanzienlijk minder versleuteld en met bobine ontsteking. Toch bleek ook deze Norton een onbetrouwbaar apparaat dat je te pas en te onpas in de steek liet. Een motorvakantie met de vriendin werd een nachtmerrie, Franse mecaniciens haalde hun neus op voor ieder vervoermiddel uit Engeland. Deze afgunst ging steevast gepaard met hoog opgetrokken wenkbrauwen en de woorden: Uh, un anglais?!
Vanwege de betrouwbaarheid en het aangename boxer geluid werd toen een BWW R69 met Hollandia zijspan aangeschaft. Daarmee even een broodje gaan halen zonder ballast in het zijspan is heel gevaarlijk en dringend af te raden. In een rechterbocht over de kop gegaan en blok gescheurd, ook een zere knie. Ander blok van een R75/5 er in en zo is ie nog steeds. Overal mee geweest, van Lissabon tot de Noordkaap. Uit ervaring kan ik zeggen, oerdegelijk en betrouwbaar, supermooi uitlaatgeluid maar wel een tikkeltje saai. Ik rij er in m’n 65e levensjaar nauwelijks meer mee. Aan alles komt een eind.
– Door Gerard van Stokkum
Jouw eigen verhaal op Motorfans.nl? Dat kan: Mail naar info@motorfans.nl en deel jouw ervaringen met onze lezers!

1 reactie
Mooi. En ver voor mijn tijd…